Reactie Pieter Hasekamp, algemeen directeur Zorgverzekeraars Nederland

Preventie? Zeker, maar reken je niet rijk!

Het is onafwendbaar dat de zorgkosten de komende jaren nog enorm zullen stijgen door een toename van het aantal chronisch zieken, door nieuwe behandelmogelijkheden en door de vergrijzing. Die groei kunnen we op korte termijn niet afwenden, dus zullen we moeten blijven investeren in het verbeteren van de zorg. Aandacht voor preventie is daarbij cruciaal.

We weten dat veel chronische aandoeningen dezelfde risicofactoren hebben en het gevolg zijn van leefstijlkeuzes als een ongezond dieet, roken en een gebrek aan lichamelijke activiteit en daarmee dus te voorkomen zijn.  Een goede aanpak van preventie vereist inzet in zowel de openbare als de curatieve gezondheidszorg.  Zo geeft het vorige week verschenen rapport van de RIVM in opdracht van het IGZ aan dat slechts een hele kleine minderheid van de door de gemeenten ingezette leefstijlinterventies effectief is.  De overgrote meerderheid van de gehanteerde therapieën is niet erkend of er wordt een onbewezen methode gebruikt.  Daarnaast geeft het rapport aan dat lokaal gezondheidsbeleid slechts een onderdeel is van het totale preventiebeleid. Een combinatie van maatregelen is nodig om voor effectieve preventie.

Preventie kent vele vormen en iedere vorm kent zijn natuurlijke uitvoerder. Zo hoort openbare gezondheidszorg bij de (lokale) overheid en is geïndiceerde preventie het terrein van de verzekerde zorg.  Samenwerking tussen deze natuurlijke partners is dan ook essentieel.  De Volksgezondheid Toekomst Verkenningen van maart 2010 (VTV 2010) geven ook aan dat zeker op het gebied van selectieve preventie doelgroepen van gemeenten en zorgverzekeraars elkaar overlappen.  We zien dan ook dat deze vorm van samenwerking, zeker daar waar zorgverzekeraars bijvoorbeeld veel verzekerden in bepaalde steden of wijken hebben, meer en meer van de grond komt. 

Effectief investeren in preventie leidt tot meer gezondheid. De VTV 2010 geeft aan dat meer gezondheid niet tot minder zorg leidt.  Ten eerste is de zorg zelf een belangrijke oorzaak van betere gezondheid en daarnaast worden dankzij deze succesvolle behandelingen mensen ouder en lopen het risico om ander ‘vervangend ziekten’ te krijgen. De baten van meer gezondheid liggen volgens de VTV 2010 in de waarde van de gezondheid zelf, gezondheid als bron van menselijk kapitaal en gezondheid als belangrijke voorwaarde voor maatschappelijke participatie (civil society:  vrijwilligerswerk/ civil society).

Dit alles betekent dat investeren in preventie loont en zorgverzekeraars pakken hier dan ook hun aandeel in op. Maar het betekent niet dat de investeringen voor preventie per definitie uit de premiegelden van de Zvw zouden moeten komen zoals bijvoorbeeld de VNG stelt. Gemeenten moeten de uitvoering van hun beslistaken op orde hebben, daartoe zijn zij wettelijk verplicht. Het is juist de bedoeling dat anderen daar baat bij hebben. De revenu van preventie dragen vooral bij aan meer deelname aan arbeidsmarkt en maatschappij, maar leiden niet tot lagere zorgkosten. Een preventiebonus voor gemeenten is wellicht een interessant idee. Het geeft gemeenten een prikkel om hun maatschappelijke taken goed in te vullen en aan te sluiten op andere domeinen als AWBZ en Zorgverzekeringswet. Daar hoort dan ook een negatieve prikkel bij wanneer de gemeente die taken niet goed vervult.

Pieter Hasekamp
Zorgverzekeraars Nederland